Wanneer u SECTION-Control gebruikt
Dit hoofdstuk is van belang voor u als u een machine met een ISOBUS-jobcomputer hebt en wilt dat SECTION-Control de secties van de machine bestuurt.
- 1.
- Rij naar de akker.
- 2.
- Indien u deze akker al eerder hebt bewerkt, laadt u de akkergegevens van deze akker. Indien u een nieuwe akker wilt bewerken, moet u zorgen dat er geen andere akkergegevens zijn geladen. In een dergelijk geval moet u de geopende opname negeren.
- 3.
- Indien u een doseerkaart hebt, kunt u deze nu importeren. Zie: Als u met Shape-doseerkaarten werkt
- 4.
- Wanneer u de jobcomputer voor het eerst aan de terminal hebt aangesloten, controleer dan de instellingen in het scherm “Instellingen” | „SECTION-Control“. Let hier vooral op de parameters “Machinetype”, „Traagheid aan” en “Traagheid uit”.
- 7.
- Indien u een gps-ontvanger gebruikt, die met EGNOS of WAAS werkt, stelt u het referentiepunt in.
- 8.
- Standaard is de geleidingsmodus “Parallel” geactiveerd. Indien u niet recht en parallel over het oorspronkelijke spoor wilt rijden, wijzigt u de geleidingsmodus.
- 9.
- Indien u met overlap wilt werken, stelt u de gewenste afstand tussen de geleidingslijnen in.
- 10.
- Activeer de automatische modus van SECTION-Control of bedien de machine handmatig.
- 11.
- Leg de eerste AB-lijn aan.
- 12.
- Registreer de akkergrens (optioneel).
- 13.
- Markeer de kopakker (optioneel).
- 14.
- Bewerk de akker door parallel over de oorspronkelijke sporen te rijden. Hiervoor kunt u de lightbar of een stuursysteem gebruiken.
- 15.
- Indien u een hindernis nadert, kunt u hiervan de positie markeren.
- 16.
- Sla de gegevens na het werk op.
- 17.
- Kopieer de gegevens naar een USB-stick, om deze op een pc op te slaan of met TRACK-Guide-Desktop te bekijken.