Company logo
BedieningshandleidingZoekenInhoudsopgaveHome
 
 
SECTION-Control configureren
 
In deze configuratiestap configureert u de sectieschakeling voor uw ISOBUS-jobcomputer.
De toepassing herkent elke ISOBUS-jobcomputer aan de hand van zijn ISO-ID en stelt telkens een eigen profiel op. Zo kunt u voor uw meststrooimachine totaal andere parameters configureren dan voor uw zaaimachine of spuit.
 
 
 
Procedure
 
 
 
1.
 TRACK-Leader - Open de toepassing TRACK-Leader.
2.
Raak “Instellingen” aan.
3.
Raak “SECTION-Control” aan.
Er verschijnt een lijst met profielen van alle ISOBUS-jobcomputers die al eens op de terminal zijn aangesloten. Telkens wanneer u een nieuwe ISOBUS-jobcomputer aansluit op de terminal, wordt een nieuw profiel aangemaakt.
In deze lijst verschijnen ook virtuele jobcomputers uit de toepassing ECU.
4.
Raak op de naam van de ISOBUS-jobcomputer aan, waarvoor u SECTION-Control wilt configureren. De aangesloten jobcomputer is gemarkeerd met een groene punt.
5.
 TL_Profil-Edit - Open de lijst met parameters.
De lijst met ingestelde parameters verschijnt.
6.
Wijzig de parameters. Op de volgende pagina's vindt u de uitleg ervan.
7.
 TL_Profile_Delete - Optioneel kunt u ook jobcomputerprofielen wissen.
 
 
Parameters voor SECTION-Control
 
 
 
Overlappingsgraad
De graad van overlapping bij het bewerken van een wigvormig vlak.
 
De ingestelde "Overlappingsgraad" wordt bij de buitenste secties beïnvloed door de parameter "Overlappingstolerantie".
 
0% overlappingsgraad
50% overlappingsgraad
100% overlappingsgraad
 
Mogelijke waarden:
 
0% – elke sectie wordt bij het verlaten van een bewerkte oppervlakte pas ingeschakeld, wanneer de oppervlakte volledig is verlaten. Bij het berijden van een bewerkte oppervlakte wordt de sectie pas uitgeschakeld, wanneer de sectie zich tot 1% boven de bewerkte oppervlakte bevindt.
50% – elke sectie wordt bij het verlaten van een bewerkte oppervlakte pas ingeschakeld, wanneer de oppervlakte tot 50% is verlaten. Bij het berijden van een bewerkte oppervlakte wordt de sectie dan pas uitgeschakeld, wanneer de sectie zich tot 50% boven de bewerkte oppervlakte bevindt. Bei 50% "Overlappingsgraad" heeft de "Overlappingstolerantie" geen effect.
100% – elke sectie wordt bij het verlaten van een bewerkte oppervlakte onmiddellijk ingeschakeld, wanneer de oppervlakte tot 1% is verlaten. Bij het berijden van een bewerkte oppervlakte wordt de sectie pas uitgeschakeld, wanneer de sectie zich tot 100% boven de bewerkte oppervlakte bevindt.
 
 
Overlappingstolerantie
 
Gebruik deze parameter om een toegelaten overlapping te definiëren. De buitenste secties worden pas geschakeld wanneer de overlapping groter wordt dan de waarde van deze parameter.
 
 
De "Overlappingstolerantie" heeft alleen betrekking op de buitenste linker en rechter sectie. Deze parameter heeft op geen van de andere secties betrekking.
 
 
De volgende afbeeldingen laten zien, hoe de parameter "Overlappingstolerantie" werkt bij een "Overlappingsgraad" van 0%. U ziet de ingestelde overlappingstolerantie onder de afbeeldingen.
Overlappingstolerantie bij overlappingsgraad 0 % - In beide gevallen werd met 25 cm overlapping gewerkt.
Overlappingstolerantie 0cm
Hier wordt de sectie onmiddellijk uitgeschakeld.
Overlappingstolerantie 30cm
Hier wordt de sectie niet uitgeschakeld, omdat de overlapping kleiner dan 30 cm is.
 
 
Wanneer u de parameter "Overlappingsgraad" op 100 % ingesteld hebt, speelt de parameter "Overlappingstolerantie" een belangrijke rol bij het verlaten van een reeds bewerkte oppervlakte. Bijvoorbeeld bij het keren in een reeds bewerkte kopakker.
Overlappingstolerantie bij overlappingsgraad 100 % - In beide gevallen werd de bewerkte oppervlakte met 25 cm verlaten.
Overlappingstolerantie 0
Wanneer slechts 1 % van de sectie buiten de reeds bewerkte oppervlakte ligt, wordt de volledige sectie ingeschakeld.
Overlappingstolerantie 30cm
De overlappingstolerantie maakt het mogelijk om onnodige overlappingen te voorkomen.
De rechter sectie wordt pas ingeschakeld, wanneer meer dan 30 cm van de bewerkte oppervlakte is verlaten.
 
 
Mogelijke waarden:
 
 
Aanbeveling: Als u met DGPS werkt, mag de overlappingstolerantie niet kleiner zijn dan 30 cm. Bij landbouwapparaten met grote secties, zoals bijvoorbeeld meststrooimachines, stelt u de waarden dienovereenkomstig hoog in:
Tolerantie 0cm
 
De buitenste sectie wordt uitgeschakeld als deze zich slechts minimaal boven een bewerkte oppervlakte bevindt. Als de sectie deze oppervlakte slechts minimaal verlaat, wordt deze weer ingeschakeld.
Andere waarde
 
De buitenste sectie wordt in- of uitgeschakeld, wanneer de overlapping groter is dan de waarde.
Maximale waarde
 
De helft van de sectie van de buitenste sectie.
 
 
 
 
Overlappingstol. akkergrens
 
Gebruik deze parameter om te voorkomen dat secties aan de akkergrens met minimale overlapping worden geschakeld.
De parameter functioneert zoals "Overlappingstolerantie", maar werkt alleen bij het overschrijden van de akkergrens.
Voor u de afstand wijzigt, dient u na te gaan of dit in de huidige situatie veilig is voor het milieu en de omgeving.
 
 
Overlappende sproeiers (EDS)
Deze parameter kan alleen worden gebruikt voor veldspuiten met de functie individuele sproeierschakeling. Op andere systemen wordt deze parameter niet getoond.
Gebruik de parameter om in te stellen hoeveel sproeiers overlappend moeten werken.
 
 
 
Traagheid
 
 
Traagheid is de tijd die verstrijkt tussen het verzenden van een commando door de terminal en het uitvoeren van het commando door de machine.
Deze tijd kan per machine verschillen.
 
 
Voor de configuratie zijn er twee parameters:
Traagheid bij Aan (bij het inschakelen)
Traagheid bij Uit" (bij het uitschakelen)
De waarden van beide parameters worden standaard door de aangesloten jobcomputer opgegeven en kunnen niet worden gewijzigd. Deze parameters zijn grijs en hebben het woord “apparaat” in hun naam.
Om de door de jobcomputer opgegeven traagheidstijden aan te passen, kunt u de parameters “Traagheidscorrectie bij Aan” en “Traagheidscorrectie bij Uit” instellen. De door de jobcomputer opgegeven waarden en de ingestelde waarden in de terminal worden dan met elkaar verrekend.
 
 
Opmerking
 
 
Correctie van de traagheidstijden via de TRACK-Leader-toepassing is niet beschikbaar voor alle machinefabrikanten. Voor machines van de fabrikant HORSCH kunnen de traagheidstijden niet via de TRACK-Leader-toepassing worden aangepast. Neem contact op met de fabrikant wanneer u de traagheidstijden van deze machines wilt aanpassen.
 
 
 
Voorbeeld
 
 
 
Wanneer bij een veldspuit een sectie over een reeds behandelde oppervlakte rijdt, moet ze onmiddellijk worden uitgeschakeld. Daarvoor zendt de software een signaal voor uitschakeling naar het sectieventiel. Hierdoor wordt het ventiel gesloten en de druk in de slang afgebouwd. Net zo lang totdat er niets meer uit de spuitdoppen komt. Dat duurt ongeveer 400 milliseconden.
Het resultaat is dat de sectie gedurende 400 milliseconden overlappend spuit.
Om dat te verhinderen, moet de parameter “Traagheid bij Uit” worden ingesteld op 400 ms. Nu wordt het signaal 400 milliseconden eerder naar het sectieventiel gestuurd. Hierdoor kan het uitrijden precies op het juiste moment worden afgebroken.
De volgende afbeelding maakt duidelijk hoe de traagheid functioneert. Op de afbeelding wordt het reële gedrag weergegeven, niet de weergave op het beeldscherm.
Traagheidscorrectie bij Uit was ingesteld op 0. Wanneer de ingestelde vertragingstijd te laag is, dan wordt er overlapt.
Op dit punt heeft het sectieventiel een signaal ontvangen om uit te schakelen
Op dit punt heeft de veldspuit opgehouden met spuiten.
 
 
Mogelijke waarden:
 
 
“Traagheidscorrectie bij Aan”
 
Voer hier de correctie van de traagheid bij het inschakelen van een sectie in. Als de sectie te laat op het signaal voor inschakeling reageert, verhoogt u de waarde.
 
Bijv.
Magneetventiel-armatuur 400 ms
Elektromotorische armatuur 1200 ms
“Traagheidscorrectie bij Uit”
 
Voer hier de correctie van de traagheid bij het uitschakelen van een sectie in. Als de sectie te laat op het signaal voor uitschakeling reageert, verhoogt u de waarde.
 
Bijv.
Magneetventiel-armatuur 300 ms
Elektromotorische armatuur 1200 ms
 
 
 
Machinemodel
 
Deze parameter bepaalt op welke wijze de werkbalk het symbool van de gps-ontvanger moet volgen.
 
 
Mogelijke waarden:
 
 
“aangebouwd”
 
Instelling voor aanbouwapparaten.
 
 
“Zelfrijder”
 
Instelling voor zelfrijdende landbouwmachines.
 
 
“getrokken machine”
 
Instelling voor landbouwmachines die door een tractor worden getrokken.
 
 
“getrokken en gestuurd”
 
Instelling voor getrokken apparaten met dissel- of fuseebesturing. Bijvoorbeeld voor getrokken spuiten met TRAIL-Control.
 
 
 
Beeldscherm Lightbar
Type beeldscherm Lightbar.
 
Mogelijke waarden:
 
"gedeactiveerd"
 
Desactiveert de beeldscherm-Lightbar.
"Grafische Mode"
 
Activeert beeldscherm-Lightbar in de grafische modus.
"Textmode"
 
Activeert beeldscherm-Lightbar in de tekstmodus.
"SECTION-View" gebruiken
 
Activeert SECTION-View
 
 
Verschuiving apparaat
Deze parameter kunt u gebruiken om verschuivingen van de werkbreedte naar links of rechts in te stellen. Voer in hoeveel cm het midden van de werkbreedte verschoven is ten opzichte van het midden van de tractor.
 
Links: tractor met één apparaat; rechts: tractor met twee apparaten
Verschuiving apparaat – afstand tussen het midden van de tractor en het midden van de volledige werkbreedte
Volledige werkbreedte
 
 
Mogelijke waarden:
 
 
Positieve waarde invoeren, bijv.: 90cm
 
wanneer het apparaat naar rechts is verplaatst.
Negatieve waarde invoeren, bijv.: -90 cm
 
wanneer het apparaat naar links is verplaatst.
 
 
 
Functiebeschrijving
 
 
Wanneer u voor deze parameter een andere waarde dan 0 invoert, gebeurt het volgende:
Op het werkscherm verschijnt een rode geleidingslijn, die op een afstand van de blauwe geleidingslijn wordt getekend.
De werkbalk wordt naar een kant verschoven. Exact in het midden ervan loopt de blauwe geleidingslijn.
Na het instellen van de verschuiving van de machine, moet u TRACK-Leader iets anders bedienen:
1.
Stuur het voertuig zo dat de pijl altijd langs de rode lijn loopt. Het midden van de werkbalk loopt dan langs de blauwe geleidingslijn.
Geleidingslijnen bij apparaten met verschuiving
 1
Rode geleidingslijn – markeert het midden van de tractor
 3
Blauwe geleidingslijn – markeert het midden van de werkbreedte
 2
Pijl – markeert de positie van de gps-ontvanger
 4
Werkbalk
 
 
Toepassingsgebied
Deze parameter dient ertoe om het gedrag van SECTION-Control voor het gebruik met wijnbouwspuiten aan te passen.
Sectieschakeling aan
 1
Secties. Buitensecties (1, 2, 4, 5) kunnen voor de behandeling van buitenste rijen worden gebruikt.
 2
Akkergrens. Buiten de akkergrens worden wijnstokrijen niet gespoten.
 
Mogelijke waarden:
 
“Standaard” – functie gedeactiveerd.
“Wijnbouw” – functie geactiveerd.
Resultaten
 
In de geactiveerde wijnbouwmodus verandert het gedrag van SECTION-Control:
Als het interval tussen de geleidingslijn en het voertuig groter is dan 30°, gaat het systeem ervan uit dat het voertuig keert. In dit geval wordt het uitrijden aan alle secties beëindigd.
Voor alle secties wordt de parameter “Overlappingstol. akkergrens” (Overlappingstolerantie akkergrens) toegepast.
 
 
 
Minimale draairadius
Opdat de lijnen in de kopakker zich niet onder 90° kruisen, kunt u hier een radius invoeren die uw voertuig met het aanbouwapparaat kan rijden.
 
 
Afstand tot de akkergrens
Veiligheidsafstand tot de akkergrens. Landbouwapparaten zijn altijd een halve werkbreedte van de akkergrens verwijderd. Afhankelijk van de ingave wordt de veiligheidsafstand verminderd of vergroot.
 
 
Lijnafstand reduceren
Als u de geleidingslijnafstand wilt beperken, voert u hier de gewenste waarde in. De geleidingslijnafstand komt in principe overeen met de werkbreedte van de gebruikte machine.
De actuele geleidingslijnafstand kunt u in het navigatiescherm zien.
 
Weiterführende Informationen
Traagheid aan en Traagheid uit kalibreren
Traagheidscorrectie gebruiken